Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (implementatie artikel 2 en 3 richtlijn elektronische handel)

Stuur ons een bericht


We proberen binnen 2 werkdagen te reageren.
Verder gelden deze spelregels.
Annuleren
? Contact
30-10-2019

Geachte dames en heren,

 

Graag reageren wij op het gepubliceerde conceptwetsvoorstel waarin de heffing en inning van btw op grensoverschrijdende internetverkopen aan (vooral) consumenten worden gewijzigd. De nieuwe regels vloeien voort uit de Richtlijn voor bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen, waarover de EU-lidstaten eind 2017 overeenstemming hebben bereikt. Modernisering van de regels voor elektronische handel is onder meer nodig vanwege de concurrentieverstorende werking van de bestaande regels, een argument dat wij onderschrijven.

 

Niet alleen (mkb-)ondernemers die via internet grensoverschrijdend producten en diensten verkopen aan consumenten, maar ook post- en koeriersdiensten en elektronische interfaces (marktplaatsen, platforms) worden met ingang van 1 januari 2021 met veranderingen geconfronteerd. Zo krijgen de (mkb-)ondernemers meer met de btw-regels en tarieven van andere lidstaten te maken, komt er een brede toepassing van het één-loketsysteem voor het doen van aangifte en betalingen, wordt de btw-vrijstelling bij invoer van goederen met een waarde van maximaal € 22 afgeschaft en wordt een btw-plicht voor elektronische interfaces geïntroduceerd.

 

Wij waarderen dat de memorie van toelichting (MvT) bij het conceptwetsvoorstel de nieuwe regels mede aan de hand van een groot aantal voorbeelden toelicht. Voorbeelden geven inzicht in de toepassing van de regels in concrete situaties en zijn daardoor voor de praktijk zeer nuttig.

 

Wij hebben over het conceptwetsvoorstel een aantal vragen en opmerkingen. Die komen hierna aan de orde.

 

Administratieve lasten – voorziening voor (mkb-)ondernemers onmisbaar

Met ingang van 1 januari 2021 worden goederen die door een ondernemer via internet worden verkocht aan en door hem worden vervoerd naar een consument in een andere lidstaat, in de lidstaat van die consument belast. Nu worden die goederen dikwijls belast in de lidstaat van de verkoper. Alleen als de verkoper een bepaalde, per lidstaat van de consument verschillende, jaarlijkse omzetdrempel overschrijdt, wordt btw geheven in de lidstaat van de consument. In dat geval zijn de gevolgen voor de ondernemer: btw-registratie, aangifte en betaling in de lidstaat van de consument.

 

Door de nieuwe regels maakt het voor het toepasselijke btw-tarief niet meer uit waar de leverancier van de goederen is gevestigd. In bijna alle gevallen is het btw-tarief van de lidstaat van de consument van toepassing. Het gevolg is dat voor bijna alle leveranciers gelijke concurrentievoorwaarden gaan gelden, een gevolg dat wij positief beoordelen. Om btw-registratie, -aangifte en -betaling in alle lidstaten waar goederen aan consumenten worden geleverd te voorkomen, kunnen leveranciers er onder bepaalde voorwaarden voor kiezen om de buitenlandse btw over de internetverkopen in de eigen lidstaat aan te geven en te betalen via een één-loketsysteem (met onderlinge verrekening tussen de lidstaten). Ondernemers kunnen voor diensten waarover btw verschuldigd is in de lidstaat van de consument, met ingang van 1 januari 2021, ook van een één-loketsysteem gebruik maken. Dit betekent een aanzienlijke uitbreiding van het bestaande één-loketsysteem, dat nu alleen voor digitale diensten kan worden gebruikt. Wij waarderen deze uitbreiding positief.

 

Voor kleinere ondernemers is een uitzondering gemaakt op de regel dat de btw wordt geheven in de lidstaat van de consument. Is de totale grensoverschrijdende omzet niet hoger dan € 10.000, dan mogen deze ondernemers in beginsel het btw-tarief van de eigen lidstaat blijven toepassen. Een tegemoetkoming die op aandrang van het gehele georganiseerde Europese bedrijfsleven in de nieuwe regels is opgenomen.

 

Wij onderschrijven de opvatting in de MvT dat de lasten voor het bedrijfsleven zo veel mogelijk moeten worden beperkt. Hoewel de brede toegankelijkheid van het één-loketsysteem een belangrijke tegemoetkoming is voor (mkb-)ondernemers die met internetverkopen grensoverschrijdend actief willen zijn, plaatsen wij een kanttekening bij de opmerking in de MvT dat de administratieve lasten niet noemenswaardig veranderen bij de implementatie van het één-loketsysteem. Wij wijzen erop dat het voor de praktijk een grote ommezwaai is om de btw-tarieven te moeten toepassen van de lidstaten waar de consumenten zijn gevestigd. De kosten voor het inrichten en bijhouden van de uiteenlopende btw-tarieven van potentieel alle lidstaten (inclusief de daarop betrekking hebbende jurisprudentie) mogen niet worden onderschat. Wij vinden het uit een oogpunt van beperking van administratieve lasten noodzakelijk dat nog een volgende stap wordt gezet. Die stap is een voorziening, bijvoorbeeld een webpagina, die (mkb-)ondernemers op snelle en eenvoudige wijze informatie geeft over de geldende btw-tarieven en de geldende tariefindeling in de andere lidstaten. Zo’n voorziening is voor de praktijk onmisbaar. In dit verband wordt gememoreerd dat de website van de EU met betrekking tot de bestaande regeling voor afstandsverkopen een overzicht bevat van de uiteenlopende omzetdrempels die lidstaten hanteren.¹

 

Definitie intracommunautaire afstandsverkopen van goederen (artikel 2a)

In de definitie van intracommunautaire afstandsverkopen van goederen wordt verwezen naar ondernemers bedoeld in artikel 1a, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Wij vragen ons af of hiermee een wijziging is beoogd ten opzichte van de bestaande afstandsverkopenregeling in artikel 5a Wet OB waarin wordt verwezen naar artikel 33, lid 1, onder a, van de btw-richtlijn en indirect naar artikel 3, lid 1, van de btw-richtlijn. Mag de leverancier er vanuit blijven gaan dat hij een intracommunautaire levering tegen 0% mag toepassen indien hij van zijn afnemer een geldig btw-nummer ontvangt, ook indien die afnemer gebruikelijk prestaties verricht waarvoor hij geen aftrek heeft?

 

Btw-plicht voor elektronische interfaces (artikel 3b)

Het conceptwetsvoorstel bevat een leveringsfictie voor elektronische interfaces, platforms en webwinkels die faciliteren bij internetverkopen van derden-ondernemers. Die fictie is van toepassing indien dat platform faciliteert in de volgende twee situaties:

  1. Indien goederen worden verkocht die vanuit buiten de EU worden geleverd en die goederen een intrinsieke waarde hebben van niet meer dan € 150. Hierbij maakt het niet uit of de leverancier van de goederen is gevestigd in de EU of niet.
     
  2. Indien goederen worden verkocht door verkopers die buiten de EU zijn gevestigd. Het kan dan ook gaan om goederen die reeds in het land van bestemming binnen de EU zijn gelegen.

Deze regels worden volgens de MvT ingevoerd om een doeltreffende heffing en inning te bereiken. Hoewel de leveringsfictie voortvloeit uit de nieuwe Europese regels en er op dit punt geen beleidsvrijheid bestaat, hechten wij er toch aan op te merken dat het gaat om een disproportioneel zware maatregel. De platforms zijn niet de verkopers van de goederen, maar zij moeten vanwege de fictie wel een volledige administratie opzetten en de juiste btw-tarieven gaan bepalen van alle producten die via hun platform worden verkocht. Daar komt bij dat het voor platforms niet te controleren is waar vandaan de leveranciers hun goederen versturen. Hoe moeten de platforms hiermee omgaan?

 

Bovendien vragen wij ons af of de beoogde doeltreffende heffing en inning daadwerkelijk wordt bereikt. Stel dat onder de bestaande regels btw door een niet-EU-leverancier wordt voldaan op verkopen aan Nederlandse consumenten. Stel dat onder de nieuwe regels die verkopen worden gefaciliteerd door een platform dat buiten Nederland is gevestigd. Dan is de kans toch reëel dat de btw niet meer in een Nederlandse aangifte wordt voldaan? Immers, het is toch mogelijk dat het platform de btw voldoet via een "btw-melding" die in een andere lidstaat wordt ingediend? Hoe gaat de Nederlandse Belastingdienst hierop handhaven? Daarbij merken we op dat het platform ook buiten de EU kan zijn gevestigd in een land waar men niet op de hoogte is van de leveringsfictie en waarmee Nederland geen verdrag heeft voor wederzijdse bijstand. Het gevolg kan dan toch zijn dat niet-EU-leveranciers die nu nog btw afdragen dat straks niet meer doen? Hoe gaat de handhaving in dit geval plaatsvinden?

 

Naar onze mening zou het zowel voor het bedrijfsleven als voor de belastingautoriteiten van de lidstaten nuttig zijn als de leveringsfictie over enige tijd wordt geëvalueerd.

 

Verder hebben wij over de fictie de volgende vragen:

  • Wanneer wordt het platform geacht noch rechtstreeks, noch indirect betrokken te zijn bij de bestelling?
  • Wat te doen bij retourneringen van goederen die met toepassing van de fictie zijn verkocht? Hoe moet dit op de aangifte worden gecorrigeerd? Hoe kan een platform hiervan bewijs aanleveren indien het platform niet bij de verzending van de goederen betrokken is geweest?
  • Kan het platform bij het uitblijven van een betaling teruggaaf krijgen van afgedragen btw? Hoe kan dit worden bewerkstelligd indien het platform btw voldoet via een btw-melding?
  • Welke regels zijn van toepassing voor teruggaaf van onbetaalde vergoedingen, kortingen en prijsreducties? De regels van het land van identificatie of het land waar de btw verschuldigd is?
  • Wat het tijdstip van verschuldigdheid betreft, wordt de aanvaarding van betaling leidend. Wanneer is hier sprake van? Wordt onder “toezegging van betaling door de afnemer” bijvoorbeeld ook verstaan de mogelijkheid voor consumenten om achteraf (na levering) te betalen via overschrijving? Wordt hier niet het moment van bestelling bedoeld?
  • Het wetsvoorstel voorziet in een fictie dat de goederen worden geleverd aan het platform en door het platform. Er wordt echter niet voorzien in een regeling dat het platform geen dienst verricht aan de leverancier. Mag dit zo worden uitgelegd dat als de fictieve levering zonder marge plaatsvindt en eenzelfde inkoopprijs als verkoopprijs wordt gehanteerd, het platform daarnaast nog een dienst aan de leverancier verleent?
  • De fictie kan tot praktische problemen leiden indien de niet EU-leverancier op basis van de wetgeving in zijn lidstaat een factuur aan zijn afnemer moet uitreiken. In artikel 34c wordt beschreven dat de ondernemer een factuur moet uitreiken voor intracommunautaire afstandsverkopen indien geen gebruik wordt gemaakt van de Unieregeling. Is het platform of de leverancier verplicht om een factuur uit te reiken en, zo ja, aan wie?
  • Indien de leverancier levert vanuit een niet-EU-land, en daarbij gebruikt maakt van het één-loketnummer van een platform, hoe wordt dan voorkomen dat de leverancier dit nummer ook gebruikt voor leveringen die buiten het platform om gedaan worden? En wie is er in dat geval aansprakelijk?
  • Wat gebeurt er als de betaling door de consument plaatsvindt buiten het platform om en het platform de btw helemaal niet ontvangt (ook niet van de leverancier)?
  • Er wordt verplicht dat het platform in zijn boekhouding ook een datum van betaling opneemt. Hoe kan het platform dit doen indien de betaling rechtstreeks aan de leverancier wordt gedaan?
  • Leidt de fictieve verkoop door een niet-EU-leverancier aan het platform die belast is tegen 0% tot een registratieplicht voor die leverancier?
  • Hoe wordt gewaarborgd dat platforms die buiten de EU zijn gevestigd aan hun verplichtingen voldoen?

Invoering één-loketsysteem voor internetverkopen (Unieregeling, paragraaf 3, artikel 28s e.v.)

  • In het bestaande één-loketsysteem moeten correcties doorgevoerd worden in de aangifte/btw-melding van het originele tijdvak. Wij vinden het positief dat die correcties per 2021 in een volgende melding kunnen worden opgenomen. In de artikelsgewijze toelichting wordt gesproken van “een volgende btw-melding uiterlijk 3 jaren na de datum waarop de oorspronkelijke btw-melding moest worden ingediend”. Er wordt ook gesproken van “de volgende btw-melding”. Dit leidt tot onduidelijkheid. Gaat het om de eerstvolgende of een volgende melding? Is de mogelijkheid tot een correctie beperkt tot drie jaar? Vanaf welk tijdstip geldt de termijn van drie jaar?
  • Komt er één website/portal waar meldingen voor identificatie worden gedaan en waarop de btw-melding kan worden ingediend?
  • Hoe kan een ondernemer in aanloop naar de datum van ingang de keuze voor de Unieregeling kenbaar maken en de registratie in de verschillende lidstaten afschaffen?
  • Kan de ondernemer bij het uitblijven van een betaling teruggaaf krijgen van afgedragen btw? Hoe kan dit worden bewerkstelligd indien de ondernemer buitenlandse btw voldoet via een btw-melding?
  • Van welk land zijn de regels (en jurisprudentie) van toepassing voor de teruggaaf van onbetaalde vergoedingen, kortingen en prijsreducties?
  • Indien geretourneerde artikelen worden doorverkocht aan ondernemers in de lidstaat waar deze goederen aanvankelijk zijn afgeleverd, leidt dit dan tot een lokale registratieplicht? Zo ja, heeft dat nog negatieve gevolgen voor het voldoen van btw via de btw-melding?
  • Wordt de btw-melding op het niveau van de fiscale eenheid (geconsolideerd) ingediend of moet dit voor de individuele onderdelen van een fiscale eenheid gebeuren?
  • Waarom wordt de factuurverplichting in het voorgestelde artikel 34c afhankelijk gesteld van het gebruik van de Unieregeling?
  • Als de goederenleveringen en diensten in een andere munteenheid luiden, moet de wisselkoers worden gebruikt die gold op de laatste dag van het belastingtijdvak (artikel 28 sf). Deze wisselkoers is in het bedrijfsleven niet gebruikelijk en lijkt praktisch noch haalbaar.
  • De ondernemer die van de Unieregeling gebruikmaakt, moet van alle onder de regeling vallende handelingen een boekhouding voeren die voldoende gegevens moet bevatten om de juistheid van de btw-melding te bepalen (artikel 28sj). Wat wordt verstaan onder voldoende gegevens? Is het de bedoeling het besluit Omzetbelasting, administratieve-, facturerings- en andere verplichtingen op dit punt aan te passen of een afzonderlijk besluit vast te stellen?
  • Wat de periodiciteit van de btw-aangifte betreft, is er een verschil tussen intra-EU-internetverkopen (per kwartaal) en invoer internetverkopen (per maand). Wat is de reden voor dit verschil? Een kwartaalaangifte in beide situaties zou de voorkeur verdienen.
  • Hoe gaat de Belastingdienst praktische invulling geven aan het verschil in bewaartermijn ingeval een ondernemer die in een lidstaat is gevestigd en daar een registratie voor het één-loketsysteem heeft, zijn verkopen in die lidstaat niet opneemt in een reguliere aangifte (bewaartermijn zeven jaar), maar in zijn één-loketaangifte (bewaartermijn tien jaar)?

De regeling post- en koeriersdiensten (afdeling 8)

  • In o.a. de regeling voor post- en koeriersdiensten wordt gerefereerd aan de intrinsieke waarde van goederen. In de douanewetgeving is deze waarde niet gedefinieerd. In de EU is een discussie over een definitie gaande. Hoe moet de intrinsieke waarde in de praktijk worden vastgesteld?

Wij verzoeken u onze vragen en opmerkingen bij uw verdere voorbereiding van de nieuwe regelgeving te betrekken en zijn desgewenst graag bereid tot het geven van een toelichting.

 

Met vriendelijke groet,

 

mw. G. Dolsma
wnd. Directeur Economische Zaken

 


 

¹ Zie VAT Thresholds (April 2018)